Baarmoederhalskanker komt frequent voor bij vrouwen. Vaak gebeurt de diagnose op middelbare leeftijd. De kanker ontwikkelt zich immers heel traag. Desalniettemin zijn de screening en behandeling de voorbije jaren sterk verbeterd.

Wat is baarmoederhalskanker?

De kanker is een ongecontroleerde groei van afwijkende of abnormale cellen in het slijmvlies van de baarmoederhals (1) (ook cervix genoemd).
Hij kan zich op twee plaatsen ontwikkelen: ter hoogte van de ectocervix (3) of baarmoedermond en met het blote oog zichtbaar tijdens een gynaecologisch onderzoek. Of in de endocervix  (2) (dichter bij de baarmoeder), waar de klieren zich bevinden die baarmoederhalsslijm produceren.

Het merendeel van de tumoren ontstaan ter hoogte van de baarmoedermond, de zgn. plaveiselcarcinomen. Slechts 15% van de kankers komt voor in de endocervix. Die noemen we de adenocarcinomen.

Endo_exo_col

1. Baarmoederhals / 2. Endocervix / 3. Ectocervix

Hoe ontstaat baarmoederhalskanker?

De meeste van de gevallen wordt de kanker veroorzaakt door een infectie met het humaan papillomavirus (HPV) dat het lichaam niet heeft kunnen overwinnen. Het duurt gemiddeld 10 tot 30 jaar vooraleer de infectie zich ontwikkelt tot een kanker1.

Van hardnekkige infectie tot letsel

Het baarmoederslijmvlies bestaat uit twee weefsels: het epitheel (dekweefsel of bovenste laag) en het dieper gelegen bindweefsel. Ze worden gescheiden door een basaalmembraam.

De infectie treedt op wanneer het HPV zich nestelt in de basiscellen van het epitheel en zich vermenigvuldigt. Als de infectie doorzet, kan ze die cellen aantasten waardoor een letsel ontstaat, de zgn. dysplasie of abnormale groei van weefsel.

De ernst van het letsel wordt bepaald door de hoeveelheid abnormale cellen in het epitheel. En wordt aangeduid als licht abnormaal (CIN1), matig abnormaal (CIN2) en sterk abnormaal (CIN3).

Van letsel tot kanker

Er is pas sprake van een kanker zodra de abnormale cellen de volledige dikte van het epitheel zijn binnengedrongen.

Opgelet: slechts een kleine minderheid van de HPV-infecties groeit uit tot baarmoederhalskanker. Meestal is het lichaam in staat om op eigen kracht de infectie te overwinnen. Hetzelfde geldt voor dysplasieletsels waarvan het merendeel spontaan terugvalt.

Wat zijn de symptomen?

Baarmoederhalskanker en de voorafgaande letsels vertonen niet altijd symptomen.
Vandaar het essentiële belang van de paptest of uitstrijkje om dysplasie op te sporen.

Vrouwen worden aangeraden om zich vanaf 25 jaar te laten screenen door een huisarts of gynaecoloog, ook al zijn ze gevaccineerd tegen het papillomavirus. De eerste twee uitstrijkjes gebeuren met een tussenperiode van één jaar. Daarna volstaat een uitstrijkje om de drie jaar tot de leeftijd van 65. Op voorwaarde uiteraard dat het resultaat negatief is. Blijkt uit het onderzoek dat er te veel abnormale cellen aanwezig zijn, dan zal de arts een weefselmonster (biopsie) nemen en laten analyseren.

Bij welke signalen of klachten is het zinvol om snel een controle te laten doen:

  • Lichte bloedingen tussen de menstruaties in of na de menopauze;
  • Bloedverlies na geslachtsgemeenschap of een toiletbezoek;
  • Abnormale vaginale afscheiding (al dan niet gepaard met wat bloed);

Verschillende stadia van kanker

Afhankelijk van de diagnose onderscheidt de medische wereld vijf stadia in relatie tot de grootte van de tumor en de hoeveelheid kankercellen aanwezig elders in het lichaam. De behandeling is afgestemd op het specifieke stadium waarin de kanker zich bevindt.

  • Beperkt de kanker zich tot de cellen van het epitheel, dan spreken we van een kanker in situ (ter plaatse, stadium 0). Deze lokale vorm heeft veel tijd nodig om te ontwikkelen en kan dus heel dikwijls (vroeg)tijdig worden opgespoord.
  • Bereikt de kanker het basaalmembraam en het bindweefsel van de baarmoederhals, dan bevindt hij zich in stadium I.
  • Is de kanker lokaal voorbij de grens van de baarmoederhals doorgegroeid tot in het steunweefsel van de baarmoeder of het bovenste deel van de vagina, dan spreken we van stadium II.
  • Is de tumor verder doorgegroeid tot aan de bekkenwand of in het onderste deel van de vagina, dan heeft hij stadium III bereikt.
  • Als de kanker ten slotte buiten het bekken is gegroeid (blaas, endeldarm) of is uitgezaaid, bevindt hij zich in stadium IV.

De behandelingen

Kanker in situ

In dit vroege stadium doet men meestal een conisatie of kegelbiopsie. Anders gezegd: het aangetaste weefsel wordt uit de baarmoederhals weggesneden. Blijkt dat alle kankercellen goed werden verwijderd, volstaat een regelmatige controle.

De chirurg kan ook de baarmoederhals verwijderen (trachelectomie). Bij beide behandelingen blijft de baarmoeder behouden en kan de vrouw over het algemeen nog zwanger worden.De kans op genezing is heel groot in dit stadium.

Kanker in stadium I en II (de gelokaliseerde tumor raakt het steunweefsel van de baarmoeder niet)

Er zijn verschillende therapieën mogelijk:
  • De baarmoeder (hysterectomie), naburige lymfeknopen en vaak ook de eierstokken worden operatief verwijderd;
  • Zijn de kankerletsels beperkt en wil de vrouw nog zwanger worden, dan kan een trachelectomie volstaan (enkel de baarmoederhals en niet de baarmoeder wordt verwijderd);
  • Uitwendige en inwendige bestraling (curietherapie);
  • Radiochirurgie (met krachtige gammastralen);
  • Radiochemotherapie (combinatie van bestraling met chemotherapie)

Kanker in stadium II (het steunweefsel van de baarmoeder is geraakt), III en IV

De behandeling bestaat vaak uit een combinatie van radiotherapie (uitwendige bestraling), curietherapie en radiochemotherapie. En gaat meestal gepaard met een operatie.

De kans op genezing wordt geschat op 85% in stadium I en op 70% in stadium II.

Wat na de behandeling?

Na de behandeling wordt de patiënt aangeraden om de huisarts te raadplegen en indien nodig ook de specialisten van het zorgteam. Soms worden bijkomende onderzoeken of screenings voorgeschreven om (het begin van) een terugval of een andere kanker op te sporen. De patiënt wordt nog gedurende meerdere jaren gevolgd.

Artikel opgemaakt onder toezicht van Dr Marie Mawet
Publicatiedatum : 12-01-2016
Bron 1 : National cancer institute

>